De in België gevestigde niet-gouvernementele organisatie Hind Rajab Foundation (HRF) heeft een aanvraag ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tegen de Republiek Litouwen.
De stap volgt op het definitieve besluit van Litouwse rechtbanken om geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar een Israëlische soldaat die in Litouwen woont en wordt beschuldigd van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden in Gaza.
De zaak-Sean Gor
De zaak draait om Sean Gor, een Israëlische militair die diende bij de eenheid "Vampire Empire" van het 52ste Pantserbataljon (onderdeel van de 401ste Pantserbrigade). Volgens documentatie van HRF was Gor van oktober 2023 tot augustus 2024 ingezet in Gaza. Zijn eenheid wordt verantwoordelijk gehouden voor meerdere ingrijpende incidenten in Gaza-stad.
Zo wordt de eenheid in verband gebracht met de dodelijke aanval op de 5-jarige Hind Rajab, haar familieleden en twee ambulanciers op 29 januari 2024 in Tel al-Hawa. Daarnaast wordt de eenheid verantwoordelijk gehouden voor de aanval op en belegering van het Al-Shifa-ziekenhuiscomplex in maart en april 2024, de inval en vernietiging van het UNRWA-hoofdkwartier in januari en februari 2024, en de verwoesting van het Palestina-plein in december 2023.
In maart 2026 achterhaalde HRF dat Gor in de Litouwse stad Kaunas verbleef, waar hij tandheelkunde studeert aan de Litouwse Universiteit voor Gezondheidswetenschappen. Op 27 maart 2026 diende de stichting een officiële strafklacht in bij het Litouwse Openbaar Ministerie.
Litouwen weigert onderzoek te openen
Op 9 april 2026 weigerde de Litouwse procureur-generaal een onderzoek te starten. Het Openbaar Ministerie interpreteerde het beginsel van universele jurisdictie als een uitzonderlijk mechanisme dat slechts onder beperkte juridische voorwaarden toepasbaar is, en haalde praktische obstakels aan bij het verzamelen van bewijsmateriaal in het buitenland.
Het besluit om geen onderzoek in te stellen werd op 27 april 2026 bevestigd door de arrondissementsrechtbank van Vilnius en op 21 mei 2026 gehandhaafd in hoger beroep door de regionale rechtbank van Vilnius.
HRF wendde zich vervolgens tot het Grondwettelijk Hof van Litouwen met het argument dat deze beperkte uitleg van universele jurisdictie strijdig is met de Litouwse grondwet en internationale verplichtingen. Nadat ook deze nationale rechtsmiddelen waren uitgeput, bleef een onderzoek uit.
HRF daagt Litouwen voor het Europees Hof
Nu alle binnenlandse juridische stappen zijn doorlopen, heeft HRF de zaak voorgelegd aan het EHRM in Straatsburg. In de klacht stelt de organisatie dat de Litouwse weigering om de beschuldigingen te onderzoeken een schending vormt van de artikelen 2, 3, 11 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Dyab Abou Jahjah, algemeen directeur van HRF, benadrukt dat universele jurisdictie juist bestaat om te voorkomen dat verdachten van ernstige misdrijven aan verantwoording ontkomen:
"Litouwen had de kans om op te treden. In plaats daarvan worden we gedwongen naar Straatsburg te stappen. De verdachte bevindt zich waarschijnlijk nog steeds in Litouwen en geniet daar van het leven nadat hij heeft deelgenomen aan een van de best gedocumenteerde genocides in de geschiedenis. Litouwen kan niet beweren mensenrechten te verdedigen terwijl het een verdachte op zijn grondgebied herbergt."
Natacha Bracq, hoofd juridische zaken bij HRF, noemt het besluit van Litouwen eveneens onaanvaardbaar: "Het feit dat de vermeende misdrijven in het buitenland zijn gepleegd, mag geen excuus zijn voor passiviteit. Litouwen kiest ervoor universele jurisdictie selectief toe te passen, en dergelijke meten met twee maten is onaanvaardbaar. Deze houding is met name onverdedigbaar nu het leger waarin Gor diende nog dagelijks Palestijnen blijft doden." HRF heeft verklaard alle juridische wegen te blijven benutten om gerechtigheid te zoeken voor Hind Rajab en alle andere slachtoffers.






















