Belgische gemeenten die beperkingen of verboden opleggen aan bedelen, handelen in strijd met het Europees Sociaal Handvest. Dat heeft het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR), het orgaan binnen de Raad van Europa dat toeziet op de naleving van het Handvest, geoordeeld.
De beslissing over de collectieve klacht (nr. 233/2023), ingesteld door de Internationale Federatie voor de Mensenrechten (FIDH) en de Internationale Beweging ATD Vierde Wereld tegen België, werd op 17 augustus 2026 openbaar gemaakt.
Het Comité kwam tot de conclusie dat de lokale verordeningen het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting ondermijnen en dat de maatregelen niet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.
Inbreuk op het recht op bescherming tegen armoede
Het ECSR stelde unaniem vast dat gemeentelijke verordeningen die bedelen verbieden of beperken een inbreuk vormen op Artikel 30 van het Europees Sociaal Handvest, dat in 1990 door België werd geratificeerd. Nadat bedelen in 1993 op federaal niveau werd gedecriminaliseerd, voerden tal van gemeenten via hun algemene politiebevoegdheden opnieuw lokale restricties in.
Uit een studie uit 2023 van het Federaal Instituut voor de Bescherming en Bevordering van de Rechten van de Mens (FIRM) en het Steunpunt tot bestrijding van armoede blijkt dat 305 van de 581 Belgische gemeenten een bedelreglement hadden, waarbij in 253 gevallen sprake was van minstens één bepaling die problematisch is vanuit het oogpunt van de mensenrechten.
Het Comité onderstreepte dat het bestraffen van activiteiten die noodzakelijk zijn om in het levensonderhoud te voorzien, de kwetsbaarheid van betrokkenen vergroot en hen verder stigmatiseert.
Het ontbreken van een doeltreffend rechtsmiddel
Naast de inhoudelijke inbreuk oordeelde het Comité eveneens unaniem dat er sprake is van een schending van Artikel 30 vanwege het gebrek aan een doeltreffend rechtsmiddel voor getroffen personen. Hoewel het formeel mogelijk is om gemeentelijke verordeningen aan te vechten bij de Raad van State, blijkt dit in de praktijk vrijwel onmogelijk voor mensen die in armoede leven.
De grote verscheidenheid en complexiteit van de reglementen in de 581 gemeenten, gecombineerd met een lage scholingsgraad en een gebrek aan middelen, vormen een onoverkomelijke drempel voor bedelaars om hun rechten effectief op te eisen.
Indirecte discriminatie van kwetsbare groepen
Met tien stemmen voor en vier tegen oordeelde het ECSR dat er tevens sprake is van een schending van Artikel E in combinatie met Artikel 30 van het Handvest vanwege indirecte discriminatie op grond van etnische afkomst en sociaal-economische status.
De gemeentelijke restricties treffen onevenredig hard mensen die in extreme armoede leven en marginale groepen, in het bijzonder de Roma-gemeenschap. Het opleggen van administratieve geldboetes tot 500 euro, de inbeslagneming van aalmoezen of administratieve aanhoudingen lossen de problematiek van armoede niet op, maar leiden tot opstapeling van schulden en verdere marginalisering.
Economische motieven en de bescherming van minderjarigen
Het Comité benadrukte dat economische argumenten, zoals het beschermen van toerisme, handelsactiviteiten of het voorkomen van louter ongemak bij voorbijgangers, geen rechtvaardiging kunnen vormen voor het beperken van mensenrechten of het vaststellen van een verstoring van de openbare orde.
Wat betreft gemeentelijke verboden op bedelen met of door kinderen, stelde het ECSR dat deze verordeningen een zeer beperkt effect hebben en voornamelijk symptomen bestrijden. In plaats van gezinnen te bestraffen, moeten wetgevende en beleidsmatige maatregelen gericht zijn op preventie, onderwijs, kinderopvang en duurzame sociale ondersteuning.
Toelaatbare restricties en uitzonderingen
Het ECSR verduidelijkte dat niet elke vorm van regulering uitgesloten is. Beperkingen op agressieve of opdringerige vormen van bedelen kunnen als proportioneel worden beschouwd, mits deze gebaseerd zijn op duidelijke en objectieve criteria.
Ook maatregelen gericht tegen mensenhandel of situaties waarin bedelen niet dient als middel om te overleven maar als een georganiseerde of professionele activiteit, blijven toegestaan. In de praktijk hanteren veel gemeentelijke verordeningen echter vage definities, waardoor handhavers een te ruime beoordelingsvrijheid krijgen en het recht op een menswaardig bestaan in het gedrang komt.





















