Naar schatting 20 miljoen kinderen tussen 12 en 17 jaar, oftewel bijna 1 op de 5, zijn in één jaar tijd in 21 landen slachtoffer geworden van ten minste één vorm van door technologie mogelijk gemaakte seksuele uitbuiting en misbruik, zo meldde UNICEF donderdag.
De bevindingen zijn opgenomen in een nieuw rapport getiteld Through Children’s Eyes: How Digital Technologies Enable Child Sexual Abuse, waarin enquêtegegevens worden gecombineerd met getuigenissen van kinderen die misbruik hebben meegemaakt.
“Het rapport legt een pijnlijke realiteit bloot. Meer dan 20 miljoen kinderen in de onderzochte landen werden online blootgesteld aan ongewenste expliciete seksuele inhoud of uitbuiting, vaak in de digitale omgevingen waar ze leren, spelen en contact hebben met vrienden,” aldus Catherine Russell, uitvoerend directeur van UNICEF.
“Veel kinderen lijden in stilte, omdat ze niet weten waar ze terechtkunnen voor hulp. We mogen hier niet de ogen voor sluiten,” voegde ze eraan toe.
Volgens schattingen in het rapport werden meer dan 15 miljoen kinderen blootgesteld aan ongewenste seksuele inhoud, terwijl negen miljoen kinderen tegen hun wil werden gevraagd om seksuele gesprekken te voeren of seksuele afbeeldingen te delen.
Van ongeveer vier miljoen kinderen werden seksuele afbeeldingen zonder hun toestemming gedeeld.
Meeste gevallen deden zich voor op sociale mediaplatforms
Volgens het rapport vond bijna 60 procent van de gevallen plaats op sociale mediaplatforms zoals Facebook, Instagram, Snapchat, TikTok en WhatsApp, terwijl 14 procent plaatsvond in online games.
Uit het rapport bleek dat in 57 procent van de gevallen iemand betrokken was die het kind al kende, waaronder leeftijdsgenoten, romantische partners, vrienden en familieleden. Tegelijkertijd kwam 38 procent van de kinderen de dader voor het eerst online tegen, waarbij het misbruik werd vergemakkelijkt door middel van bijvoorbeeld nepaccounts en privéberichten.
De ervaringen hadden een aanzienlijke invloed op het emotionele welzijn van de kinderen, hun gevoel van veiligheid en hun vertrouwen in anderen; volgens het rapport beschreven de deelnemers aan het onderzoek gevoelens van angst, schaamte, verwarring en isolatie.
Kinderen die te maken hadden gehad met uitbuiting via technologie, hadden vier keer meer kans om zelfmoordgedachten of -gedrag en zelfbeschadiging te melden, en gaven ook aan aanzienlijk meer last te hebben van angst, zo bleek uit de analyse.
In Mexico en Noord-Macedonië was het risico op zelfmoordgedachten of -gedrag meer dan acht keer zo hoog onder kinderen die misbruik hadden meegemaakt, terwijl in Pakistan het risico op zelfbeschadiging meer dan zeven keer zo hoog was, aldus het rapport.
Kinderen lijden in stilte
Meer dan 40 procent van de gevallen werd nooit met iemand gedeeld, terwijl minder dan één procent werd gemeld bij autoriteiten, waaronder de politie, maatschappelijk werkers of hulplijnen.
De meest voorkomende reden waarom kinderen in de onderzochte landen zwegen, was dat ze niet wisten waar ze terecht konden of aan wie ze het moesten vertellen, aldus UNICEF.
Het rapport roept regeringen, technologiebedrijven en andere belanghebbenden op om de bescherming van kinderen online te versterken, onder meer door strengere privacywaarborgen, beperkingen op ongevraagd contact door volwassenen, veiligere aanbevelingssystemen en verbeterde detectie en melding van misbruik.
Het rapport pleit ook voor strengere wetten en handhavingsmaatregelen, verbeterde meld- en ondersteuningssystemen, en meer steun voor gezinnen, scholen en gemeenschappen.
“We moeten allemaal, inclusief overheden en technologiebedrijven, meer doen om kinderen online te beschermen,” zei Russell.
Het rapport is gebaseerd op landelijk representatieve enquêtes onder ongeveer 21.000 internetgebruikende kinderen in de leeftijd van 12 tot 17 jaar in 21 landen, aangevuld met diepte-interviews met 100 jongeren die in hun jeugd te maken hebben gehad met misbruik.
UNICEF verklaarde dat de onderzoeksresultaten representatief zijn voor kinderen die internet gebruiken en niet voor alle kinderen, met name in landen met een lagere internetdekking.























